Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

1 Koningen 8

1 Koningen

Index

Hoofdstuk 9

1


 

  Het geschiedde nu, als Salomo voleind had te bouwen het huis des HEEREN en het huis des konings, en al de begeerten van Salomo, die hem gelust had temaken;  

 

 


2


 

  Dat de HEERE ten anderen male aan Salomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gibeon verschenen was.  

 

 


3


 

  En de HEERE zeide tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die gij voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, hetwelkgij gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam aldaar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te allen dage.  

 

 


4


 

  En zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid des harten, en met oprechtheid, om te doen naar alwat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;  

 

 


5


 

  Zo zal Ik den troon uws koninkrijks over Israel bevestigen in eeuwigheid; gelijk als Ik gesproken heb over uw vader David, zeggende: Geen man zal uafgesneden worden van den troon van Israel.  

 

 


6


 

  Maar zo gijlieden u te enen male afkeren zult, gij en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn inzettingen, die Ik voor uwaangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u voor dezelve nederbuigen zult;  

 

 


7


 

  Zo zal Ik Israel uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, hetwelk Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; enIsrael zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken.  

 

 


8


 

  En aangaande dit huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelve zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft deHEERE alzo gedaan aan dit land en aan dit huis?  

 

 


9


 

  En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hun God, verlaten hebben, Die hun vaderen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere godengehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.  

 

 


10


 

  En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo die twee huizen gebouwd had, het huis des HEEREN en het huis des konings;  

 

 


11


 

  (Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koningSalomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea.  

 

 


12


 

  En Hiram toog uit van Tyrus, om de steden te bezien, die Salomo hem gegeven had, maar zij waren niet recht in zijn ogen.  

 

 


13


 

  Daarom zeide hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op dezen dag.  

 

 


14


 

  En Hiram had den koning gezonden honderd en twintig talenten gouds.  

 

 


15


 

  Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis des HEEREN te bouwen, en zijn huis, en Millo, en den muur vanJeruzalem, mitsgaders Hazor, en Megiddo, en Gezer.  

 

 


16


 

  Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaanieten, die in de stad woonden,gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven.  

 

 


17


 

  Alzo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.  

 

 


18


 

  En Baalath, en Tamor in de woestijn, in dat land;  

 

 


19


 

  En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en opden Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.  

 

 


20


 

  Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de kinderen Israels;  

 

 


21


 

  Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israels niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschottot op dezen dag.  

 

 


22


 

  Doch van de kinderen Israels maakte Salomo geen slaaf; maar zij waren krijgslieden, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hoofdlieden, en de oversten zijnerwagenen, en zijner ruiteren.  

 

 


23


 

  Dezen waren de oversten der bestelden, die over het werk van Salomo waren, vijfhonderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk, dat in het werkdoende was.  

 

 


24


 

  Doch de dochter van Farao toog van de stad Davids op tot haar huis, hetwelk hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo.  

 

 


25


 

  En Salomo offerde driemaal des jaars brandofferen en dankofferen, op het altaar, dat hij den HEERE gebouwd had, en rookte op dat, hetwelk voor hetaangezicht des HEEREN was, als hij het huis volmaakt had.  

 

 


26


 

  De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-Geber, dat bij Eloth is, aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom.  

 

 


27


 

  En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo.  

 

 


28


 

  En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den koning Salomo. 1 Koningen 10  

 

 


1 Koningen 10

 

 

 

HTMLBible Software - Public Domain Software by johnhurt.com

 


Other Software is Available At These Sites: