Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

Exodus 11

Exodus

Index

Hoofdstuk 12

1


 

  De HEERE nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende:  

 

 


2


 

  Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste vande maanden des jaars zijn.  

 

 


3


 

  Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan den tienden dezermaand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor eenhuis.  

 

 


4


 

  Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, denaaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gijzult rekening maken naar het lam.  

 

 


5


 

  Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapenof van de geitenbokken zult gij het nemen.  

 

 


6


 

  En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en deganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden.  

 

 


7


 

  En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan beide zijposten, en aan denbovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.  

 

 


8


 

  En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, metongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.  

 

 


9


 

  Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan hetvuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand.  

 

 


10


 

  Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvanoverblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden.  

 

 


11


 

  Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uwvoeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEERENpascha.  

 

 


12


 

  Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen inEgypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichtenoefenen aan alle goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!  

 

 


13


 

  En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneerIk het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan; en er zal geen plaag onder ulieden tenverderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.  

 

 


14


 

  En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot eenfeest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.  

 

 


15


 

  Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zultgij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van deneersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uitIsrael.  

 

 


16


 

  En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heiligeverzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaanworden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag vanulieden toegemaakt worden.  

 

 


17


 

  Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dagulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden,onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.  

 

 


18


 

  In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gijongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond.  

 

 


19


 

  Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want alwie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israeluitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.  

 

 


20


 

  Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde brodeneten.  

 

 


21


 

  Mozes dan riep al de oudsten van Israel, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt ulammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.  

 

 


22


 

  Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zalwezen; en strijkt aan den bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed,hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deurvan zijn huis, tot aan den morgen.  

 

 


23


 

  Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hijhet bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal deHEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen tekomen om te slaan.  

 

 


24


 

  Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot ineeuwigheid.  

 

 


25


 

  En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijkHij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden.  

 

 


26


 

  En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daarvoor een dienst?  

 

 


27


 

  Zo zult gij zeggen: Dit is den HEERE een paasoffer, Die voor de huizen derkinderen Israels voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaren sloeg, en onzehuizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.  

 

 


28


 

  En de kinderen Israels gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes enAaron geboden had, alzo deden zij.  

 

 


29


 

  En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen inEgypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zittenzou, tot op den eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, enalle eerstgeborenen der beesten.  

 

 


30


 

  En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en erwas een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dodewas.  

 

 


31


 

  Toen riep hij Mozes en Aaron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit hetmidden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israel; en gaat heen, dientden HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt.  

 

 


32


 

  Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, engaat heen, en zegent mij ook.  

 

 


33


 

  En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land tedrijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!  

 

 


34


 

  En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen,gebonden in hun klederen, op hun schouderen.  

 

 


35


 

  De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden vande Egyptenaren geeist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen.  

 

 


36


 

  Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren,dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.  

 

 


37


 

  Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrentzeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.  

 

 


38


 

  En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veelvee.  

 

 


39


 

  En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurdekoeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden,zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden.  

 

 


40


 

  De tijd nu der woning, die de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, isvierhonderd jaren en dertig jaren.  

 

 


41


 

  En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even opdenzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaanzijn.  

 

 


42


 

  Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uitEgypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moetgehouden worden, van al de kinderen Israels, onder hun geslachten.  

 

 


43


 

  Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het pascha:geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten.  

 

 


44


 

  Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zultbesneden hebben, dan zal hij daarvan eten.  

 

 


45


 

  Geen uitlander noch huurling zal er van eten.  

 

 


46


 

  In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huisdragen, en gij zult geen been daaraan breken.  

 

 


47


 

  De ganse vergadering van Israel zal het doen.  

 

 


48


 

  Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, datalles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om datte houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedenezal daarvan eten.  

 

 


49


 

  Enerlei wet zij voor de ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in hetmidden van u verkeert.  

 

 


50


 

  En alle kinderen Israels deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aarongeboden had, alzo deden zij.  

 

 


51


 

  En het geschiedde even ten zelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israels uitEgypteland leidde, naar hun heiren.   

 

 


Exodus 13

 

 

 

HTMLBible Software - Public Domain Software by johnhurt.com

 


Other Software is Available At These Sites: