Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

Genesis 37

Genesis

Index

Hoofdstuk 38

1


 

  En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hijkeerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.  

 

 


2


 

  En Juda zag aldaar de dochter van een Kanaanietisch man, wiens naam was Sua;en hij nam haar, en ging tot haar in.  

 

 


3


 

  En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.  

 

 


4


 

  Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naamOnan.  

 

 


5


 

  En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hijwas te Chezib, toen zij hem baarde.  

 

 


6


 

  Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.  

 

 


7


 

  Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des HEEREN ogen; daaromdoodde hem de HEERE.  

 

 


8


 

  Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar inuws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.  

 

 


9


 

  Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het,als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, omzijn broeder geen zaad te geven.  

 

 


10


 

  En het was kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hemook.  

 

 


11


 

  Toen zeide Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis,totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook dezesterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.  

 

 


12


 

  Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw vanJuda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timnatoe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.  

 

 


13


 

  En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naarTimna, om zijn schapen te scheren.  

 

 


14


 

  Toen legde zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zichmet een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen,die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zijhem niet ter vrouw was gegeven.  

 

 


15


 

  Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezichtbedekt had.  

 

 


16


 

  En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; wanthij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven,dat gij tot mij ingaat?  

 

 


17


 

  En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pandzult geven, totdat gij hem zendt.  

 

 


18


 

  Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring enuw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; enzij ontving bij hem.  

 

 


19


 

  En zij maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij trokaan de klederen van haar weduwschap.  

 

 


20


 

  En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om hetpand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.  

 

 


21


 

  En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij dezetwee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.  

 

 


22


 

  En hij keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeidende lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.  

 

 


23


 

  Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachtingworden; zie, ik heb deze bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.  

 

 


24


 

  En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf,zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij iszwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!  

 

 


25


 

  Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij denman, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens dezezegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.  

 

 


26


 

  En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haaraan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.  

 

 


27


 

  En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haarbuik.  

 

 


28


 

  En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw namdezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komthet eerst uit.  

 

 


29


 

  Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broederuit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemdezijn naam Perez.  

 

 


30


 

  En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; enmen noemde zijn naam Zera.   

 

 


Genesis 39

 

 

 

HTMLBible Software - Public Domain Software by johnhurt.com

 


Other Software is Available At These Sites: