Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

Genesis 6

Genesis

Index

Hoofdstuk 7

1


 

  Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want uheb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.  

 

 


2


 

  Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje;maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.  

 

 


3


 

  Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, omzaad levend te houden op de ganse aarde.  

 

 


4


 

  Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, enveertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ikgemaakt heb.  

 

 


5


 

  En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.  

 

 


6


 

  Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.  

 

 


7


 

  Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen methem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.  

 

 


8


 

  Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en alwat op den aardbodem kruipt,  

 

 


9


 

  Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijkals God Noach geboden had.  

 

 


10


 

  En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aardewaren.  

 

 


11


 

  In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op dezeventiende dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des grotenafgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.  

 

 


12


 

  En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.  

 

 


13


 

  Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachszonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen methem in de ark;  

 

 


14


 

  Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al hetkruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naarzijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.  

 

 


15


 

  En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee totNoach in de ark.  

 

 


16


 

  En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hemGod bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.  

 

 


17


 

  En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, enhieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.  

 

 


18


 

  En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en deark ging op de wateren.  

 

 


19


 

  En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hogebergen, die onder den ganse hemel zijn, bedekt werden.  

 

 


20


 

  Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werdenbedekt.  

 

 


21


 

  En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, envan het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op deaarde kroop, en alle mens.  

 

 


22


 

  Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat ophet droge was, is gestorven.  

 

 


23


 

  Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mensaan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zijwerden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem inde ark was.  

 

 


24


 

  En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.   

 

 


Genesis 8

 

 

 

HTMLBible Software - Public Domain Software by johnhurt.com

 


Other Software is Available At These Sites: